Dag 24: Molinaseca – Portomarin (134 km)

In het laatste stuk van de klim is souplesse al lang vervangen voor stoempen. Met nog één tandje in de reserve zwoeg ik mij van bocht naar bocht. Net zacht genoeg om mijn benen niet te laten ontploffen maar verre van relaxt. Het zweet gutst. Dat is ook niet gek, want de zon staat vol te schijnen. Tot ik aankom bij een soort van tussenpas, waar mijn klim links omheen gaat.

Het einde van de wereld is helemaal het einde

Fisterra, dat moest en zou ik zeker gaan bekijken als het binnen de mogelijkheden lag. Emanuel, de beheerder van de albergue, drukte mij op het hart dat het een zeer bijzondere plek is. Maar in dat geval loop ik ineens achter in plaats van voor op schema om over drie dagen aan te komen in Santiago. Daar had Emanuel geen boodschap aan. De snelle rekenaar weet dan dat ik mij morgen moet melden bij de Catedral.

Haalbaar is het wel, alleen moest ik dan vandaag proberen om zo ver mogelijk te komen. In potlood had ik de camping in Portomarin al voor mijzelf als doel gesteld maar of het mogelijk was wist ik niet. Er moest tenslotte flink geklommen worden. Buiten de klim van dertig kilometer naar Alto de Cebreiro en daarna Alto de Poio, respectievelijk 1300 en 1335 meter, waarschuwde het routeboek voor de ene klim naar de andere.

De afdaling uit Molinaseca

In de wolken

Na een wonderlijk goede nacht en de Albergue van Molinaseca, ontbijt, een praatje met de gastheer en op de fiets. Eerst dertig kilometer vooral omlaag via Ponferrada naar Villafranca. Bij de eerste lagen de tempeliers van de burcht nog op een oor en bij de tweede werd ik door druk gebarende Spanjaarden met een oranje hesje totaal van de route gewezen. Een plaatselijke wielerkoers ging van start en onder geen beding kon ik mijn route vervolgen.

Tempeliersburcht in Ponferrada

De nood werd een deugd want toen de koffie op was kon ik rustig verder rijden. Eerst rustig slingerend langs en onder de snelweg, maar daarna achttien kilometer serieus klimmen om vijf kilometer voor de eerste top vreselijk de mist in te gaan. Letterlijk. Na Alto de Cebreiro ging het een paar kilometer op en af en eenmaal voorbij Alto de Poio was het dalen geblazen. Armstukken aan, Buff om mijn nek en volle vaart omlaag. Heerlijk.

Vlak voor Puerto Padrifita doemde de wolken op

Zo moeizaam als de kilometers omhoog waren, zo vliegensvlug stond ik weer een kleine 700 meter lager. Met een lege tank, dat wel. Gelukkig was ook aan deze kant van de berg het fenomeen menu del dia niet onbekend. Met nog vijftig kilometer voor de boeg besloot ik deze keer eens verstandig te zijn. Water bij – wat zeg ik – in plaats van wijn.

De eerste top in dichte mist

Stimulerende middelen

Als Clemens, de schrijver van het routeboek, het in Spanje heeft over ‘enkele klimmen over 5km tot 7% dan betekent dat in de praktijk gewoon vijf kilometer klimmen maar niet altijd even steil. Gevoelsmatig was ik alleen maar aan het klimmen. Met steeds luider protesterende benen. Ik heb zelfs de zakjes vloeibare suiker, waarvan ik er een paar had meegenomen, erbij moeten halen.

Een verplaatst dorp

Uiteindelijk weereen afdaling totaan het stuwmeer waar het dorp Portomarin vroeger lag. Naar verluid is een deel van het dorp verplaats naar hogergelegen grond. Ik zou willen dat ik er meer over kon vertellen maar zodra ik de brug over was ben ik meteen naar de boeren camping gereden waar de boer (in kokskleding) gebruik maakte van mijn zwakte en mij meteen een avondmaal en een ontbijt aansmeerde. Ik kon geen weerstand bieden.

Zo, nu eerst een… Mooi uitzicht vanaf het terras van de camping in Portomarin

Morgen rij ik de laatste honderd kilometer naar Santiago. Een raar idee. Maar voor nu eerst de beentjes omhoog en genieten van het uitzicht.

¡Hasta pronto y saludos a todos!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: